Globalisering in Leiden
Leiden kan, zeker achteraf, worden gezien als een vroeg slachtoffer van globalisering. Vrij snel nadat de productie en de handel in textiel in de jaren ‘50 werd vrijgegeven, stortte de Leidse textielindustrie in. Sociaal gezien heeft Leiden zich van die vernietigende klap hersteld, maar economisch niet. Het Leidse bedrijfsleven is nog altijd kleiner dan in de jaren ‘50 en ‘60 en hoofdzakelijk verzorgend van aard. De economie van de stad draait voor éénderde op de overheid: universiteit, LUMC, musea en, in toenemende mate: subsidies aan de bedrijven op het Bio Science Park.
Globalisering veroorzaakt grote economische en sociale schokken, ‘t is bekend. Werk dat traditiegetrouw hier werd gedaan, verdwijnt naar Azië. Eerst leek dat best leuk: Nederlandse werknemers werden van lopendebandwerk bevrijd en de producten die uit het oosten komen, zijn vaak spotgoedkoop. Maar de lol is er wel vanaf gegaan. Complete bedrijfstakken kwijnen. Steeds meer mensen zijn hun baan niet zeker en al vinden ze doorgaans nieuw werk, onzekerheid en onrust slaan door de samenleving.
We zoeken antwoorden. We willen ons tegen globalisering verdedigen. Je zou zeggen: maak er een eind aan door opnieuw tariefmuren op te werpen. Dat voorstel deed de Franse historicus/filosoof Emmanuel Todd vorig jaar in zijn prikkelende pamflet ‘Après la democratie’. Maar daarvoor bestaat toch weinig animo.
De denktrend gaat meer in de richting van economische vernieuwing: maak banen die niet ‘geoffshored’ kunnen worden. Obama bijvoorbeeld wil in de VS een nieuwe energiesector creëren die gebaseerd is op waterstof en zonne-energie. De banen in deze duurzame economie kunnen niet naar Azië worden overgeplant. Een ambitie van de Alphense gemeenteraad, om de stad om te bouwen van een energiegebruiker naar een energieproducent, is in al zijn vaagheid, daarom best goed.
Toen voormalig rector magnificus Douwe Breimer van de Universiteit Leiden lid werd van het Innovatieplatform, ging hij er in een interview met mij nog vanuit dat vooral laaggeschoolde industriële arbeid naar China verdwijnt. Wij moeten daar scholing en ‘kennisvalorisatie’ tegenoverstellen. Met onze kennis, creativiteit en hoogontwikkelde onderzoeksmethoden kunnen wij dingen te maken en diensten bedenken waartoe de Chinezen niet in staat zijn, was zijn overtuiging.
Ik weet het niet. In de tijd dat ik Breimer hierover interviewde, sprak ik ook sinologe Margaret Sleeboom, die de moderne Chinese economie onderzocht als ‘fellow’ van het IIAS, het in Leiden gevestigde International Institute for Asian Studies. Zij vertelde mij dat biotechnologie, hét paradepaardje van de Universiteit Leiden en het LUMC, in China gretiger wordt omarmd dan hier. Als voorbeeld gaf ze genetisch gemodificeerde katoen, die ongevoelig is voor insecten en die van zichzelf zelfs al een kleurtje heeft, zodat hij niet geverfd hoeft te worden. Chinezen, is haar boodschap, kunnen veel. Onderschat ze niet. Met andere woorden: hét antwoord op globalisering is in het het Westen – Europa, Nederland, Alphen, Leiden – nog niet gevonden.


(1 x gestemd, gemiddeld: 4,00 uit 5)


We zullen er aan moeten wennen dat de welvaart wat eerlijker verdeeld wordt over de wereld. Voorlopig is dat nog niet zo. Ook al zou China de komende jaren met meer dan 10% groeien en Nederland met een bescheiden 2% dan hebben we over 5 jaar nog steeds tien keer zo veel te besteden.
We zullen er ook aan moeten wennen, dat wij niet superieur zijn aan andere bewoners van deze wereld. Het idee dat Nederland de concurrentie kan winnen door in te zetten op “kenniseconomie” vind ik haast ouderwets racistisch. Omdat ze in landen als India en China meer mensen hebben lopen daar ook meer knappe koppen rond. Op termijn kansloos om daar tegen te vechten.
Laten we ook maar gelijk vergeten dat we werkzaamheden kunnen vinden die niet verplaatsbaar zijn. In ieder geval niet meer dan tot nu toe het geval is. Om energievoorziening maar even als voorbeeld te nemen: mijn zonnepanelen op dak werken prima, komen niet uit Nederland en scheppen geen extra werkgelegenheid. Als ik al ooit een regio-tweed-pak zal aanschaffen zal het voor de aardigheid zijn, maar daar blijft het bij.
Wat we wel kunnen doen, is ons concentreren op waar we goed in zijn. We moeten onze specialistische plaats in de wereldeconomie zoeken. Bagger, agricultuur, machinebouw, handel en gewoon hard blijven werken. We moeten zorgen dat we niet achterop raken. Innovatie stimuleren, maar niet in het wilde weg de concurrentie opzoeken met iedereen.
Als laatste nog wat of tariefmuren: nooit doen. In landen waar ze het wel gedaan hebben, oorspronkelijk met de beste bedoelingen, wat het resultaat dat locale producten steeds verder achterbleven bij de rest van de wereld en de prijs steeds hoger werd. Als de druk op enig moment te groot wordt en de grenzen opengaan, dan verdwijnen complete industrieën. Zoiets is er in Leiden 50 jaar geleden gebeurd.
Machiel van der Schoot