Een fiets voor een duppie
Ik ben geboren in 's-Gravenhage in de Bethlehemkliniek in de zomer van het jaar 1944. De hongerwinter voor het westen van ons land moest nog komen. Ons gezin woonde in Voorburg alwaar mijn vader onderwijzer was op een rooms-katholieke jongensschool. Wij woonden met zijn zessen in een portiekwoning aan de Montfoortstraat 33, twee hoog. Heerlijk vond ik dat boven wonen, want dan kon ik door het voorkamerraam heerlijk naar buiten kijken.
Daar viel natuurlijk van alles te zien en te fantaseren. Het was een kinderrijke buurt met heel veel meisjes van mijn eigen leeftijd. Ik geloof dat wij als R.K. gezin in de minderheid waren. De meisjes op de foto's waren mijn straatvriendinnetjes. Ik ken hun namen nog. Met je schoolvriendinnetjes deed je leuke spelletjes en met je straatvriendinnen weer andere dingen.
Het pleintje voor ons huis was een echt speelplein. Alles gebeurde daar en vond daar plaats. Voetballen, knikkeren, diabolo spelen, tenten bouwen, krijten, busje trap en... kinderruzies en weer vriendjes.
Op deze foto ben ik een jaar of zes. Telkens als ik naar die kiek kijk komt het gevoel plezier van toen weer naar boven. Een fiets is voor de hedendaagse jeugd de doodnormaalste zaak in ons welvarend westers land, maar zo'n krappe zestig jaar geleden lag dat wel even anders.
Het zal op een zondag of in de vakantie zijn geweest dat deze foto is genomen. Ik mocht van mijn ouders voor één dubbeltje een fiets gaan huren. Ik voelde me de koning(in) te rijk. Lopend gingen we waarschijnlijk met de andere kindjes naar het treinstationnetje aan de Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag, dat net over de grens van Voorburg ligt. Daar stonden ze dan. Wachten op grage voetjes. Rijen blauwe kinderfietsen. En altijd leek ik het ene blauwe fietsje mooier te vinden dan de andere die op het spatbord een klein krasje had. Het kleffe dubbeltje verwisselde van eigenaar en voor de duur van een hele dag was ik de trotse bezitter van een fiets. Wel twintig keer hetzelfde rondje
door de buurt. Laten zien dat je met een hand kon rijden of met een gestrekt been. Bel zat er niet op, die sneuvelden veel te vaak. Heerlijk zo'n dag, heerlijk simpel. Om vijf uur 's middags moesten de fietsen weer op hun plaats staan. Bracht je ze te laat terug dan moest je weer betalen. Reken maar dat je je daarvoor hoedde. Het geld groeide je ouders immers niet op de rug. (Dat hoorde ik mijn moeder vaak zeggen).

Jeanet Stroet-Aben, Waarland
Reacties: