Het leven op de Nieuwesluis in de jaren tussen 1950 en 1965
Mijn naam is Jan van der wal, ik ben geboren op 21 maart 1950 in het
huis met nummer elf op de Nieuwesluis Tegenwoordig is dat huis no. 13
een dubbel woonhuis toen, onze buren aan de rechterkant waren de
familie De Jong met de kinderen Geeske, Trudie en Harry, maar ik denk
dat ze nog meer kinderen hadden, maar dat kan ik mij niet meer
herinneren en aan de linkerkant Cor Wijn, de postbode met z`n vrouw.
Toen ik ongeveer vijf jaar was zijn we verhuisd naar huisnummer 37 wat
tegenwoordig no. 51 is, het allerlaatste huis aan het eind bij de
pishoek. Ik woonde daar met m’n vader en moeder Ep van der Wal en Stien
Mereboer en m’n broers IJsbrand en Jaap. Ik was de jongste van het
gezin. Ik weet me nog te herinneren wat er in die jaren langs de deur
kwam, (1955 tot 1965). En wat voor bedrijvigheid er allemaal was.
De melkboer Jan Meeldijk had daar een winkeltje en later Rens Spigt die kwam uit wieringerwaard (`t buurtje) met de melkkar, dan moest je met je pannetje naar de weg en dan deed hij met een literkan de gevraagde hoeveelheid melk in de pan. De petroleumboer kwam ook op de dijk dat was Arie Bruin, die kwam met een paard en wagen.
Cor van Zandwijk kwam de huur ophalen voor de gemeente, hij had een soort kantoor-artikelenwinkeltje in Wieringerwaard bij het witte kerkje. Jaap Kaper de kolenboer uit Kolhorn kwam af en toe het kolenhok vullen, meestal gebeurde dat ´s avonds in het donker als wij al in bed lagen. Hij was nog zo’n zelfstandige die nooit op de klok keek.
v.d. Kreeke ook uit Kolhorn liep voor de RVS verzekering om de maandelijkse premie op te halen. Zo ook Rinus de Boer voor de ziekenfonds premie, hij kwam uit de Wieringerwaard. Slager Simon Hartman van de Mieldijk bij Barsingerhorn kwam ook met zijn mandje langs de deur. Hij kwam altijd fluitend aan, de ”slager” riep hij altijd als hij aan de deur kwam eerst de bestelling opnemen en een dag later bezorgen.
Jaap Klinker, de elektricien uit Wieringerwaard, kwam de elektra-muntmeter legen, in die meter moest om de zoveel tijd een zilveren gulden ingegooid worden om het licht te laten branden. Dat werd ook wel eens vergeten. Dan zat het hele huis weer in donker, of er waren soms geen guldens voorhanden, wat dan weer een hele toestand was.
Ook Schuiling uit van Ewijksluis kwam met kleren langs de deur. Hij had een vreselijk gerimpeld gezicht, dat kwam omdat hij pokken had gehad geloof ik, dan kwam hij met een paar koffers langs waar diverse kleren inzaten, van lange onderbroeken, sokken, werkoverhemden enz.. Die je kon uitzoeken en passen. Ik weet me nog de overhemden te herinneren die bijna nooit versleten, maar je zweette je te pletter in die dingen. Ze waren van een vrij stevige nylon. Later kwam ook Jitze de Graaf uit Schagen met kleding aan de deur.
Ene Frits van Vliet uit Anna Paulowna, kwam met een koffer op een soort handkar met fietswielen, met pleisters,zeep, kammen, garen en band langs de deur, hij had vreselijke dikke brillenglazen, type jampotbodem. Als hij het wisselgeld in z’n hand had hield hij het bijna tegen zijn neus aan om het goed te bekijken.
Een keer per jaar kwam Piet Fijnheer uit winkel met loten voor de paasveetentoonstelling. Hij liep heel moeilijk het leek altijd of hij voorover zou vallen, maar hij liep even goed op klompen. Hij ventte ook af en toe koek voor bakker Zander uit Winkel. De cooperatie uit Winkel kwam regelmatig, om de dag of elke dag dat weet ik niet meer, met een Volkswagenbusje vol met brood en boodschappen. Met de venters Gert Modder of Jim Burger uit Kolhorn, die later nog is omgekomen bij dat grote vliegtuigongeluk op Tenerife. Later was het bakker Zander uit Wieringerwaard die met brood langskwam.
Een voddenman kwam ook af en toe langs, Jan van Dijk uit Winkel. Met een paard en wagen, hij had zo`n mooie leren huif voor op de kar, dan zat hij lekker onder dak. De postbode, Jan Staal heette hij, bracht de post en nam zonodig ook de post mee die je wilde versturen.
Ik weet ook nog dat Gert Kousenband een kruidenierswinkel had op de Nieuwesluis, die kwam op dinsdag het boodschappenboekje ophalen, daar kon je de bestellingen in opschrijven die je die week nodig had en dan op woensdag werden de boodschappen gebracht. Er zat meestal ook klokzeep bij waar een cadeau bij zat, de vier pakjes zeeppoeder waren zo verpakt, zeg maar in een molenwiekmodel, zodat er in het midden een ruimte overbleef voor een cadeau. Een of ander prulletje, maar ik was er altijd heel blij mee, want je had vroeger niet zoveel speelgoed als nu.
Voor m`n vader zat er dan Ster zware shag bij, en af en toe een pakje Miss Blanche sigaretten maar die waren denk alleen voor de zondag.
Op woensdag kwam de Enkabé auto boodschappen brengen bij de winkel van Kouseband. Daar mochten we altijd helpen met het lossen van de dozen en bij Kousenband op zolder sjouwen, samen met z’n hulp Arie Bil en Johan van Dompselaar. Na afloop kregen we altijd de restjes en de kapotte koek wat nog in de koekblikken zat. Dat was een mooie tijd.
Een bakkerij was er in die tijd ook nog, bakker Vet heette hij. Mijn broer Jaap heeft daar ook tijdelijk gewerkt toen hij pas van school kwam. Hij had ook een zoon Jeen waar ik vaak mee speelde.
En een snoepwinkeltje hadden we ook op de dijk, die was van Annie Vries. Daar verkochten ze snoep, ijs en soms ook zelfs ook nog patat. Op zondag mochten we daar voor een paar centen zakgeld wat kopen, soms zelfs een pak ijs aardbei vanille, Vami was het merk geloof ik. Of een zakje chips, waar onderin een klein blauw zakje met wat zout zat. Dat zat er vroeger nog los bij verpakt. Met hun zoon Dik ging ik ook veel om, maar dat is later een vriend van m’n broer Jaap geworden zij zaten veel met radio’s te klooien.
Ze hadden daar ook altijd kostgangers in huis. Bijvoorbeeld Niek Nap, dat was een konijnenhandelaar. Met een grote mand voor op z’n fiets. Er hingen ook altijd van die gestroopte konijnenvellen buiten te drogen, die verkocht hij weer aan een of andere handelaar. Ook woonde er ene Kees Bakker. Die had stramme benen. Hij liep als een robot. Ook was Arie Hooft daar in huis. Die had een evenwicht stoornis of zo, en ook nog een oude man Kaptein heette hij geloof ik of hij was kapitein geweest in ieder geval noemden we hem zo. Er was ruimte genoeg in huis, voorheen de schilderswerkplaats van Arie Braaf. Omstreeks 1966 brandde het huis af. Dat was een beste fik want er zat een oud rieten dak op.
Daarna kwamen ze naast ons wonen in het een na laatste huis aan het eind van de dijk. Wij woonden in het laatste huis bij de pishoek. Er waren in die tijd ook nog twee café’s op de sluis ,”de rustende jager” van Jan Breed, aan het begin van de Nieuwe Sluis, eigenlijk aan de Sluizerweg, met alleen bier uit flesjes want een bierpomp was er nog niet in het begin. Toen Jan er mee stopte nam z`n zoon Dirk het over. Achter dat café stond ook nog een soort woonwagen. Het was geloof ik een oude spoorwagon geweest.
Er kwam ook vrij vaak een lilliputter, Dries was z`n naam dacht ik, in het café op bezoek hij reed op een grote kinderfiets met een bromfietsmotortje op het voorwiel. Een eitje noemden ze dat omdat de tank de vorm van een ei had. Als Dries ruzie had dan zei hij tegen de tegenpartij: zet me maar op tafel dan schop ik je voor je kop.
Het tweede café stond ter hoogte van de haven op de dijk van Piet Versluis, en later Eef Bijpost. Die verhuurde ook bootjes, dat café heette “De Toekomst” daar kwamen veel vissers op af vooral uit Amsterdam en Den Haag. Dat was niet van dat frisse volk, maar het was wel gezellig daar, vooral als Eef achter z’n drumstel plaatsnam, dan ging hij helemaal uit zijn dak.
Eef haalde ook nog schillen op voor de varkens die hij ook tijdelijk nog had, met een bakfiets ging hij de deuren langs. En later met wagen met een pony ervoor ik weet nog dat zijn zoon Jitze er ook wel eens mee langs de weg was, dan ging dat kreng af en toe ook nog wel eens op hol.
Aan bedrijvigheid waren er verder nog: twee veehouders te weten Klaas Rempt, die was altijd zeer luid van stem. Als ze daar buiten aan het werk waren, samen met zijn zonen Gerard en Andries, leek het wel of ze altijd ruzie hadden zo kon het daar te keer gaan. En Arie Boerman die ook vlakbij ons aan het eind woonde, waar ik samen met z’n zoon Gert. En nog wel eens wat andere buurkinderen in de hooiberg en op de stro zolder speelden. Dan waren er nog twee kippenboeren, Kees Boerman een oudere broer van de vorige Arie Boerman en Gert Dompselaar zij hielden kippen hoofdzakelijk voor de eieren.
Van mevrouw Grootes van de Sluizerweg liepen er ook nog schapen op de dijk bij ons achter het huis, wat altijd goed hoorbaar was. Ze liepen altijd tegen de enkelsteens muur aan te duwen als ze jeuk hadden, of de schapen liepen de hele nacht te hoesten als een ouwe vent die een pakje shag per dag rookt.
En dan was er ook nog Arie Bakker die wat varkens had, maar hij was ook nog melkrijder bij de gebr. Glerum. Met hem ging ik ook vaak mee de melkwijk doen en mee naar de melkfabriek in Lutjewinkel waar hij de bussen op de lopende band zette en ik de deksels van de bussen afhaalde, ondanks dat hij me brood wel eens opat was dat altijd leuk, want in de Wieringermeer mocht ik wel eens met de vrachtauto rijden, en soms de melkgeld zakjes bij de boeren aan de deur brengen, dan was er wel een fooitje of een paar snoepjes. Soms werd het melkgeld ook wel eens in de lege melkbus gegooid maar daar waren ze niet zo blij mee, want als het dan vergeten werd kwam het onder in de melk terecht.
Ook de vuilniswagen begon in die tijd langs te komen de chauffeur van die wagen was Pé Boon, die woonde achter het polderhuis in Wieringerwaard geloof ik. Ik weet nog dat hij heel lenig was, hij kon zomaar zijn beide benen achter in zijn nek leggen. Voordat de vuilniswagen bestond had bijna iedereen een kuil achter in de tuin waar het afval ingestort werd, op het Noordeind had bijna iedereen een belt aan de andere kant van de dijk tegen de rietschoot aan. Daar kon je lekker fikkie stoken er was bijna nooit iemand die er wat van zei, alleen in de winter als het riet droog was moest je wel eens uitkijken, want dan kon een klein vuurtje zomaar een groot vuur worden en dan was het niet best als je thuis kwam, dan mocht je zomaar een paar avonden de deur niet uit.
Pé Boon kwam ook bij de boeren langs om de van hooiklamp de temperatuur op te meten,dat gebeurde met een lange stalen pen, Want als het hooi te warm werd en het begon te broeien dan kon de boel in de brand vliegen. Ook één binnenvisser was er nog over van de vele die er geweest zijn, toen de Wieringermeer er nog niet was. Dat was Arie Jan Kleen, of heet hij Arjan, hij viste hoofdzakelijk op paling, snoekbaars en snoek. Zijn bootje en zijn viskarren waar hij de gevangen vis in bewaarde lagen aan de noordkant waar nu de jachthaven is. Zelf woonde hij aan het begin van de sluis, daar waar de eerste linker afrit naar beneden is, het kon daar soms vreselijk stinken als hij z’n netten aan het tanen (tanen is een soort van impregneren) was in een hele grote ketel op een vuur.
En s`winters kwamen de rietmaaiers die de rietschoot gepacht hadden, om het riet te oogsten wat aan de randen van het kanaal en de pishoek groeide, dat werd dan netjes in bossen gebonden met een wilgenteen er om heen, en keurig opgestapeld totdat het werd weggehaald. En natuurlijk kwam ook de politie wel eens langs. in de beginne was dat Vriesman, die was altijd op de fiets. En later Remmers, die had al een brommer, die kwam af en toe wel eens bij ons thuis, als ik weer eens wat uitgehaald had. Als ik z`n brommer boven aan de dijk zag staan keerde ik om dan ging ik later wel naar huis als de lucht weer een beetje opgeklaard was
Zo dit was alle bedrijvigheid die ik mij tot zover kan herinneren.