Mijn aankomst in Nederland
Hoewel het meer dan een halve eeuw  geleden is dat ik als dertienjarige jongen met mijn ouders vanuit het toenmalige Nederlands-Indië  in Nederland aankwam, kan ik me die dag van aankomst nog heel goed voor de geest halen.
Een fris en stevig briesje waaide over het promenadedek van het m.s. "De Tegelberg" op die vroege en donkere morgen van de zeventiende juni. We voeren voor de Nederlandse kust richting IJmuiden. De Tegelberg  vervoerde op deze reis meer dan 1800 mannen, vrouwen en kinderen. In de ruimen van het voorschip sliepen de mannen en jongens van 10 jaar en ouder en in het achterschip de vrouwen en kinderen tot 10 jaar. Enkele weken geleden zijn wij uit Tandjong Priok, de haven van Batavia vertrokken.

Mijn vader en ik stonden met vele anderen aan de reling naar een -op sommige plekken- roze bewolkte kustlijn te staren, op weg naar onze eindbestemming Amsterdam.

"Daar ergens moet Rotterdam liggen" en mijn vader wapperde met zijn hand naar rechts "en daar ergens" met zijn hoofd naar links knikkend, "Amsterdam". "Het duurt nog wel even hoor, voordat we de sluizen van IJmuiden binnen varen en daarna moeten we nog door het Noordzeekanaal en tenslotte langs de achterzijde van het Centraal Station. Misschien zien we de Sint Nicolaaskerk nog en het topje van de  Westertoren" Het leek alsof hij er gisteren nog geweest was. In tegenstelling tot mijn vader, die de laatste dag van onze reis, wat lacherig en opgewonden was, voelde ik me somber en verdrietig.

Na de jaren die hij in Japanse interneringskampen in Indië heeft doorgebracht en de periode waarin wij gedurende de "bersiaptijd" (Indonesische onafhankelijksheidsstrijd) aan terreur, intimidatie en roofovervallen hebben blootgestaan, is het te begrijpen dat deze dag, het terugkeren in zijn geboorteland een feestdag voor hem moet zijn. En niet alleen voor hem. maar ook voor zijn hoogbejaarde vader, zijn zes broers en enige zuster, zal het een feest zijn om hun broer en zoon na die ellendige jaren die de Tweede Wereldoorlog heeft teweeggebracht, straks weer terug te zien en in de armen te sluiten. Dat begreep ik allemaal wel, maar tòch voelde ik me op de een of andere manier  verdrietig en gingen m'n gedachten terug naar de dag, nog maar zo kort geleden, waarop wij het  huis van mijn kinderjaren voorgoed moesten verlaten.

Duidelijk zag ik het moment voor me dat ik afscheid moest nemen van mijn tamme vogel, de koetilang die me iedere morgen wakker floot en op mijn schouder zat terwijl ik de tuin inliep om, de duiven en kippen te voeren. Ik dacht terug aan het moment dat ik stoer , afscheid nam van mijn vriendjes, David, Dietje, Nono, Robby en Freek. Het afscheid van Ibin onze kebon (tuinman) die me leerde knikkeren, siervliegers  maken en hoe ik papieren bootjes en vliegtuigjes moest vouwen. Vooral dat ik terug aan het afscheid van mijn oude Ntjang, mijn Indonesische Oma. Toen ze als laatste groet haar tanige armen om mij heen sloeg en mij tegen zich aandrukte, rook ik de vertrouwde kruidige lucht die door het sirih kauwen altijd om haar heen hing. Een geur die me spontaan vochtige ogen bezorgde toen ik onlangs op de pasar malam in den Haag diezelfde geur herkende.

Een snuifzoen kreeg ik ten afscheid en -terwijl ze me over de wangen en rug streek- een in het Indonesisch uitgesproken bede die als een zegen klonk: "Het ga je goed, lieve grote kleinzoon van me en wanneer je straks in het land van je vader een grote meneer bent geworden, vergeet dan niet dat Ntjang altijd van je gehouden heeft. Dat Ntjang altijd aan je gedacht heeft en gebeden heeft dat God je moge behoeden voor al het kwaad en dat Hij je moge vergezellen en beschermen, je hele leven lang."

Het was daar op dat winderige wandeldek van de Tegelberg varend voor de kust van Nederland dat ik me bewust was nooit meer de stem van mijn Ntjang te zullen horen als ze vertelde -ik gelukzalig met gesloten ogen en mijn hoofd in haar schoot- over gondoroewo's en koentilanaks en andere boze en goede geesten die in Indonesische sprookjes veel voorkomen.

Ik kwam weer bij mijn positieven toen ik mijn vader naast me hoorde zeggen: "We hebben nog een lange dag te gaan, laten we maar eerst ontbijten en straks weer aan de reling staan". Benedendeks stonden we in de rij voor brood, kaas en wit uitgeslagen chocolade hagelslag en een mok thee. Na het ontbijt zochten we mijn moeder en zusje op, die op de vrouwenafdeling in het achterschip waren ondergebracht en daar het ontbijt kregen uitgereikt. Gehuld in warme kleding die door een hulporganisatie in Ataka een uit  zinken platen bestaande dorp midden in de woestijn, verschenen wij allen weer aan dek. Voor het eerst in mijn dertienjarig leventje droeg ik een wollen pantalon, waar ik prompt jeuk aan mijn benen van kreeg. Mijn zusje begon door de koude wind te krijsen en na enkele minuten hield mijn moeder het ook voor gezien en probeerde in de luwte van de lounge een plekje te vinden.

Langzaam voer "De Tegelberg"naar de geopende deuren van de grote sluis in IJmuiden. Aan de kade stond een paard-en-wagen waarvan het paard enorme wolken stoom uit zijn neusgaten blies. Ik raakte er niet op uitgekeken. Aan de wal stonden tientallen mensen met opgeheven cartonnen borden waarop namen van personen stonden waarvan zij hoopten dat die zich aan boord zullen bevinden. Kragen werden er opgezet en de magere hoofden doken dieper in de veel te wijde Ataka-winterjassen. Het begon te motregenen en gedurende het schutten van "De Tegelberg" stroomde de natte kade vol mensen die familie hoopten aan te treffen tussen de honderden repatrianten die aan de reling stonden. Tijdens de vaart door het Noordzeekanaal zagen we zwart-wit gevlekte koeien en windmolens in de verte.  Een Hollands langschap zoals ik me dat altijd had voorgesteld en me deed denken aan de bouwdoos die ik jaren geleden met Sinterklaas van mijn Opa en Oma uit Amsterdam kreeg toegestuurd en nu in het huis in Batavia is achtergebleven.

Mijn Nederlandse Oma is  tijdens de Duitse bezetting overleden, maar Opa zal zijn zoon over enkele uren in de armen sluiten. Mijn vader bleef vrolijk en trommelde met zijn vingers op de kletsnatte reling maar ik bleef me afvragen wat me te wachten stond. Ondanks de aanhoudende motregen stond er een muziekkapel op de kletsnatte kade en speelde  vrolijke wijsjes, terwijl "De Tegelberg" langzaam  naar de kant werd getrokken en een hijskraan de zware valreep aanbracht. Mijn ouders en zusje liepen tussen andere repatrianten voorzichtig de natte loopbrug af en ik sjouwde de enige koffer die wij bezaten naar de grote loods waar iedereen werd geregistreerd. Geuniformeerde dames en heren van het Rode Kruis deelden  bekers thee, melk en belegde broodjes uit. Een vreemde heer legde zijn hand op mijn schouder en zei:"Jij moet Marinus zijn". Zonder mijn antwoord af te wachten zei hij : Ïk ben je oom Gerard". Met een koffer zeulend waarop met koeienletters onze familienaam stond, was het voor één van mijn vader's broers niet zo moeilijk mij te "herkennen".

In autobussen werden de repatrianten naar de diverse bestemmingen gebracht. Door de beregende ruiten van de autobus zagen we elke keer de emotionele begroetingen wanneer families elkaar na lange tijd weer in de armen sloten. We reden door een drukke straat in Amsterdam met aan weerszijden sombere gebouwen waarin mensen bleken te wonen. Bezorgd vroeg ik mijn vader of wij ook in zo'n woning kwamen. "Ach, buiten de stad heb je genoeg speelruimte" stelde hij me gerust "en tante Martha waar we nu naar toe gaan, woont in een vrij huis met een grote tuin, maak je maar geen zorgen. In de Haarlemmermeer waar de enige zuster van mijn vader met haar gezin woonde, stonden voor het huis waar  de bus stopte een vrouw, een man en een jongetje dat mijn neef van tien jaar bleek te zijn. Een verregend kartonnen bord waarop met sierlijke letters "WELKOM THUIS" nog was te herkennen, hing aan het hek. Na langdurige en emotionele omhelzingen en heftige handdrukken tussen oom, tante en mijn ouders was ik aan de beurt.

Ter gelegenheid van de koukleumen uit Indië heeft mijn tante de kachel aangestoken "en dat voor juni" liet ze erop volgen, waarop iedereen lachte. Mij ontging de humor van deze eerste opmerking over het Hollandse weer. Met een zucht van verlichting liet mijn vader zich in een fauteuil zakken. Het voelde als verraad toen ik hem hoorde zeggen: "Zo, eindelijk thuis". Die eerste avond in Holland kon ik de slaap niet vatten en diep onder de dekens snikte ik geluidloos hete tranen.

Rien Berendsen

Reacties:

Lieve Rien,

Wat een pracht verhaal!!!!!
Voor mij heb jij gewonnen!

Liefs Edith
edith (Email) - 24 10 08 - 22:57

  
Persoonlijke info onthouden?


 

  ( Registreren / Inloggen )