Het is het jaar 1952. De nieuwe eerste klas op de grote school was niet groen, de muren okergeel. Heel veel kinderen die allemaal even onzeker waren als ik. Een beetje achterin zat ik in de middelste rij. Voorin de klas was een podium, waardoor de juffrouw altijd naar beneden moest kijken en ze kende iedereen binnen een dag al bij de naam.
Het was even wennen die eerste dag op de lagere school, maar je voelde je echt groot. Na een paar dagen bracht mijn moeder me niet meer, maar liep ik mee met Trijny, m'n buurmeisje die en paar klassen hoger zat. Ik kan me weinig herinneren uit die eerste klas, anders dan juffrouw Knoef. Ze was heel aardig, zette niemand onder druk en gaf iedereen regelmatig een aai over de bol. De goede manier om een kind aan z'n school te laten wennen denk ik; dat was in de tweede wel anders.
Mejuffrouw W.G. de Vroendt (met DT) was slechtziend, een beetje krom, had een hazelip en was zeker 58/59. Ze had lievelingetjes en ettertjes en o wee als je niet tot haar lievelingetjes behoorde.
Ik herinner mij Paul en Gertje van de Kaap. Deze jongens moeten er een trauma aan over hebben gehouden. Het Spaanse rietje dat regelmatig over hun vingers ging, de bordewisser die door de klas langs hun oren suisde, de uren en uren gangwacht en de vervloekende ogen van juffrouw De Vroendt moeten deze jongetjes, die overigens wel stoer, maar ook mijn vrienden toen niet waren, veel indruk hebben meegegeven.
Ik behoorde tot de echte lievelingetjes van juffrouw De Vroendt. Ik werd ermee gepest en ik wist me soms geen raad. Op het schoolplein ben ik een keer afgeranseld door Paul, waar alle klasgenootjes om heen stonden te juichen. Hij was veel sterker dan ik; maar ik heb mij toch proberen te verdedigen. Ik heb er thuis niets over verteld.
Wat voor rottigs ik ook deed, juffrouw De Vroendt zag het nooit, of wilde het niet zien. Ik kreeg altijd een goed cijfer en ik kreeg altijd de leukste beurten. Mijn ouders waren er trots op en ik vond het vreselijk omdat ik door de meerderheid van de klas "moederskindje" werd genoemd en ik wist niet hoe ik daar af kon komen.
Tot op een dag dat Gertje zijn been uitstak in de rij waar juffrouw De Vroendt langs kwam. Ze struikelde en viel hard op haar neus, vlak naast mij. Even was het stil en ik begon als enige van de klas uitbundig te lachen. Langzaam volgden de anderen en juffrouw De Vroendt stond met een pijnlijk gezicht op. Haar hazelip werd paars, haar ogen rood, er liep zelfs een traan uit. Ze krabbelde overeind, liep op mij toe, boog zich over mij heen - ik voelde haar adem in mijn gezicht - keek mij strak aan en pakte me stevig bij mijn rechteroor. Ik verstokte. Ze trok me aan mijn oor naar boven en sleurde me naar de gang.
Ik weet niet meer precies hoe dit is afgelopen, maar een ding was duidelijk: ik hoorde er weer bij en heb daar enkele jaren op kunnen teren.
In elke klas na de tweede moesten we elke week een psalmversje uit ons hoofd leren. Om de beurt en zonder van te voren te weten wie, moesten we het versje voor de klas opzeggen. Meestal kende iedereen het, want er was een soort angst voor als je het niet kende. Je werd dan naar meneer Ros (het hoofd der school) gestuurd en die zette je dan een uurtje bij hem in de zesde klas. Je zat daar dan echt voor schut. Je liet het dus wel uit je hoofd om het niet te leren.
Aan de ene kant galmden de psalmen dus elke week door de gangen, aan de andere kant gebeurde er m.i. hetzelfde als op elke andere school zonder de bijbel. Er werd gevloekt, alleen in het geniep; er werd ruzie gemaakt, en vooral tussen sommige jongens tot bloedens toe gevochten, er werd gediscrimineerd en er werd viezigheid uitgehaald. Het enige verschil met een andere school was dat als de leraren het ontdekten, zij de schuld meestal aan de duivel gaven, maar het euvel toch even aan je ouders gingen melden, waarna jij en niet de duivel ongenadig op z'n donder kreeg.