In de jaren 50 was het de gewoonte de koningin op 30 april met vaderlandse liederen toe te juichen. Dat had plaats op de Grote Markt.
Alleen de 6de klas “mocht” meedoen. Lopend ging het vanuit Haarlem-Noord naar de Ripperdakazerne. Aldaar ontving elke deelnemer een vlag met een stok van ongeveer 125 centimeter. Binnen de kortste tijd gingen de jongens elkaar pesten door met de stok op de diverse hoofden te tikken.
Op de Grote Markt stond een meneer op een verhoging. Die was de dirigent van een zeer groot aantal ad hoc. Met tegenzin werd er meegezongen
Na afloop van de aubade liep het “vaderlandslievende” volkje naar de Frans Halsbioscoop. Strijk en zet werd er een film over het koninklijk huis vertoond en een Amerikaanse rolprent zonder ondertiteling.
Tot slot van de Koniginnedag kreeg ieder een zakje snoep. Eerlijk is eerlijk: die zak was goed gevuld.
En nu borrelt bij U de vraag op: Waarom deden die lui mee aan de aubade, waar alle kinderen maar ook het personeel zo’n hekel aan hadden?
Dat zat het hem hierin. Wie niet aan de aubade meedeed, hoefde ook niet op een schooltuin te rekenen.
Dat was dus een koppelverkoop. We besloten… dan maar geen schooltuin. We vertikken het nog een keer mee te doen. Dat besluit maakten we schriftelijk bekend aan het Oranjecomité. En wat gebeurde??? We konden onze ogen en oren niet geloven… De kinderen kregen toch een tuin.
En dat was meteen de doodsteek voor de aubade.